Arvo Pärt (1935- )

Arvo Pärt werd geboren in Paide, Estland, op 11 september 1935 en groeide op in Tallinn. Van 1958 tot 1967 was hij werkzaam als opnameleider en componist van filmmuziek voor de Estlandse omroep. Gedurende die jaren studeerde hij compositie bij Heino Eller aan het conservatorium van Tallinn.

Zijn vroege werken tonen duidelijk invloeden van de Russische neoklassieke componisten Shostakovich en Prokofiev, bovendien componeerde hij in navolging van Schönberg in de dodecafonische stijl.

Tussen 1968 en 1971 componeerde hij in het geheel niet, maar legde hij zich toe op de studie van middeleeuwse muziek. Met name de organumtechniek van de Notre-Dameschool en de koormuziek van de Frans-Vlaamse componisten Machaut, Ockeghem, Obrecht en Josquin des Prez hadden zijn interesse.

Vergelijken we zijn composities van na 1976 met elkaar, dan is daarin een duidelijk thema te onderkennen: het goddelijke. Pärts toenadering tot religie maakt dat zijn muziek vanaf dat moment getuigt van een grote nederigheid en bescheidenheid. Hij probeert dat wat geheim en onkenbaar is in zijn composities tot klinken te brengen. Van zijn muziek wordt wel gezegd, dat het de luisteraar brengt naar een ômoment outside timeö.

Veel van de indrukwekkendste passages uit zijn composities, zoals ook te horen is in het Magnificat, worden juist veroorzaakt door het gebruik van éénstemmige melodieën (die ook nog eens uit slechts enkele tonen bestaan) en het samengaan van twee stemmen, waarbij een stem blijft liggen terwijl de andere stem vanuit die centrale toon stapsgewijs een secunde stijgt en daalt. Pärt zegt hierover: ôI have discovered that it is enough when a single note is beautifully played. This one note, or a silent beat, or a moment of silence, comforts me. I work with very few elements û wit one voice, with two voices. I build with the most primitive materials û with triad, with one specific tonalityö.