Marc-Antoine Charpentier (1643-1704)

Het verhaal gaat dat Charpentier, afkomstig uit een kunstenaarsfamilie, naar Italië ging om schilder te worden, maar als componist terugkwam. Hiervoor zijn geen aanwijzingen te vinden, zeker is wel dat hij in Rome studeerde bij Carissimi. Na zijn studie treedt hij in dienst als zanger (haute-contre) en maître de musique bij de rijke, vrome Marie de Lorraine, hertogin van Guise. In diezelfde periode was Charpentier tevens verbonden aan het toneelgezelschap van Molière, de latere Comédie Française. Aan de vruchtbare samenwerking tussen Molière en Lully was in 1672 een einde gekomen omdat de laatste zich geheel ging wijden aan zijn carrière als operacomponist. Molière benaderde daarom Charpentier. Deze componeerde o.a. de proloog en de “intermèdes” van Molières laatste laatste toneelstuk: “Le malade imaginaire”.

Evenals De Lalande wilde ook Charpentier in 1683 meedingen naar de functie van sous-maître aan het hof van Louis XIV. Ziekte maakte het hem onmogelijk om aan de tweede ronde te kunnen deelnemen. Hij werd componist en maître de musique van de kerk der jezuïeten te Parijs: St. Louis (later genoemd St. Paul-St.Louis). Het Te Deum dateert uit deze periode.

In 1698 komt de functie van maître de musique van de Sainte-Chapelle vacant. Na die van de Chapelle Royale te Versailles de belangrijkste, meest eervolle positie voor een componist in Frankrijk. Charpentier wordt benoemd en blijft daar tot aan zijn dood in 1704.

Tijdens zijn leven zijn er weinig werken van hem in druk verschenen. Gelukkig is een groot aantal manuscripten bewaard gebleven in de ‘Bibiothèque du Roi'. Na daar 250 jaar onder het stof te hebben gelegen, worden zijn composities de laatste vijftig jaar weer gedrukt en uitgevoerd.

Charpentier stond aanvankelijk sterk onder invloed van Italiaanse meesters als Carissimi en Mazzocchi. : “Marc-Antoine Charpentier aussi scavant que les Italiens a possédé au suprème degré l'art de joindre aux paroles les tons les plus convenables.” , aldus een tijdgenoot. Later liet hij zich beïnvloeden door de grandeur van het grand motet van Du Mont en Lully. Het Te Deum wordt gerekend tot een van zijn beste werken.

Deze compositie, met zijn overbekende prélude (eurovisiemars), was de eerste ‘hit' tussen de werken van Charpentier. Het is waarschijnlijk geschreven ter gelegenheid van de Franse overwinning te Steinkerque (3 augustus 1692). Het Te Deum is gecomponeerd in D-groot, een toonsoort door Charpentier getypeerd als: “joyeux et très guerrier”.

De tekst is getoonzet in acht delen, passend in de traditie van het koninklijke grand motet.

Het beantwoordt aan het artistieke ideaal van de componist: “grande diversité dans la musique…la seule diversité en fait toute la perfection”.